De hoorn werd vooral door de herders gebruikt om hun koeien naar de stal of naar de melkplaats te lokken of om ze rustig te houden tijdens het melken. Zo een melodie heet een 'Ranz des vaches' (Kuhreien; koeien op een rij?). Deze melodieën zijn waarschijnlijk van vader op zoon overgeleverd. Van lieverlee ontstaan er zo deuntjes en muziekstukken die veel later pas op noten of op papier zijn gezet.
Voor het eerst gebeurde dat - naar men zegt - in de 9de eeuw door de monnik Balbulus uit Sankt Gallen. In 1545 staat een eerste melodie uit Appenzell gedrukt op papier. En veel later - vlak voor 1800 - worden de eerste deuntjes uitgebreid - en nu nog aantoonbaar - op notenbalken aan het papier toevertrouwd.
Het geluid
Met de alpenhoorn zijn de natuurtonen in maximaal vier octaven te bereiken. Het geluid is zachter dan dat van een metalen hoorn. De reikwijdte - zegt men - is groter: tot 8 kilometer. De stemming en de lengte van de hoorn gaan hand in hand, net als bij elke andere hoorn. Meer dan 2,45 m (C) en langer is-ie in elk geval. De standaardhoorn gestemd in Fis is 3,47 meter lang. In As 3,09 meter, in F gestemd is-ie 3,68 meter en in E 3,89 meter lang. Naar gelang de alpenhoornbouwer, kan er een paar centimeter in zitten.
Daarnaast is er nog de 'Büchel'; een houten hoorn gemodelleerd als bugel met een winding gestemd in C (2,20 meter) of in B (2,70 meter).
Alphorn
Ein Alphorn hör' ich schallen, das mich von hinnen ruft;
Tönt es aus wald'gen Hallen? Tönt es aus blauer Luft?
Tönt es von Bergeshöhe? Aus blumenreichem Thal?
Wo ich nur steh und gehe, hör' ich's in süsser Qual.
Bei Spiel und frohen Reigen, einsam mit mir allein,
Tönt's, ohne je zu schweigen, tönt tief in's Herz hinein.
Noch nie hab' ich gefunden den Ort, woher es schallt,
Und nimmer wird gesunden diess Herz, bis es verhallt.
Justinus Kerner 1813
De Alpenhoren
Nu eens hoog en schel van toon,
Dan weêr krachtig, diep en schoon,
Is ‘t geluid van d’Alpenhoren;
In zijn langgerekt geschal,
Uit des herders borst geboren,
Woont de weemoed bovenal.
Hoor, zijn toon rolt statig voort:
Maar welk liefelijk akkoord
Schijnt om ‘t berggevaart te zweven?
Door de rotsen wordt de galm
Honderdvoud teruggegeven,
In een heiligen hemelpsalm.
Tegen elken storm bestand,
Trilt en beeft de de sterke wand
Voor den luchtstroom van den herder,
En die trilling deelt zich meê,
Kaatst terug en golft weer verder
In een breede klankenzee.
Keur van hemelharpgeluid
Zwelt de harde rotsen uit
En verkwikt de luistrende ooren;
Neen, geen klank zo schoon op aard,
Als de toon, door d’Alpenhoren
Opgewekt in ‘t berggevaart.
A. Winkler Prins